Original on Transparent_edited.png

werking natuurlijke zeep

het merkbare verschil met reguliere (fabrieks)zeep

Wanneer je je afspoelt na het gebruiken van een natuurlijke zeep, zie je een wit troebel water van je afglijden, dit zijn de verzorgende oliën en botertjes die gebruikt zijn, en gelukkig blijven er na het afspoelen genoeg daarvan op je huid achter. Dat voel je in de eerste instantie niet onder de douche, want dan lijkt je huid eventjes 'anders' aan te voelen wanneer je het romige schuim afgespoeld hebt (een schoner gevoel, hoorde ik laatst). Maar wanneer je je huid droog dept ( hard wrijven is eigenlijk nooit de juiste manier) voel je direct dat er een laagje achter gebleven is. 

 

Heerlijk! 

 

Sowieso moet je huid de eerste paar keer wennen aan al dat goeds. Er is immers een hele tijd gebruik gemaakt van allerlei stofjes waar je huid eigenlijk een soort van gewend aan is geraakt, en dit kan namelijk nog als een filmlaag aanwezig zijn. Die moet eerst 'slijten'. Gelukkig merk je al meteen verschil, en heb je op den duur in principe ook geen bodylotion meer nodig, Je huid lijkt meer in balans te komen. En dat willen we natuurlijk allemaal!

Maar hoe werkt zeep eigenlijk?

Heel simpel gezegd, bevat zeep een kop en een staart... de kop houdt van water, de staart van vet. Vet bindt zich aan de staart en wanneer er water voorbij komt (tijdens het douchen en handen wassen) wordt de kop aangetrokken door het water...en voila... alle viezigheid wordt door het afvoerputje gespoeld... 

Hieronder komt de Wikipedia versie voor degene die het naadje van de kous wil weten.

 

Bron:

https://nl.wikipedia.org/w/index.php?title=Zeep_(reiniging)&oldid=56563573

Zeep is een schoonmaakmiddel dat in combinatie met water een vetoplossende werking heeft. Het ontstaat door verzeping van een vet met loog.

 

Het eerste bewijs voor het gebruik van zeep is bijna vijfduizend jaar oud en stamt uit Babylon. Een cilinder van klei uit 2800 v.Chr. bleek een zeepachtige substantie te bevatten en ook werd een Babylonisch kleitablet van 2200 v.Chr. gevonden waar een samenstelling op staat beschreven die mogelijk een zeepachtige substantie op zou leveren als er lang genoeg wordt gekookt. Ook de Oude Egyptenaren gebruikten regelmatig zeep, waarbij de oliën van zowel dierlijke als plantaardige afkomst waren. Romeinse plattelandsvrouwen zouden de reinigende werking van zeep bij toeval ontdekt hebben. De klei van de oevers van de rivier de Tiber bleek te helpen bij het schoonmaken van hun was, doordat het vermengd was met dierlijk vet en as. Dit zou afkomstig zijn van de tempel van de berg Sapo, een naam die in veel talen terugkomt in het woord voor zeep. Er bestaat echter geen berg Sapo en meestal wordt aangenomen dat dit een verzinsel is.

Romeinen en Grieken kenden van oorsprong de zeep namelijk helemaal niet; zij gebruikten oliën om hun huid te reinigen. Het laat-Latijnse woord sapo wordt voor het eerst door Plinius genoemd. Het is een leenwoord uit het Germaans: *saipo-, getuige een zeer vroege Germaanse ontlening in het Fins: saippua. Oorspronkelijk was het de term voor de rode haarverf waarmee Germaanse krijgers een schrikwekkend uiterlijk poogden te verkrijgen. Uit het Germaanse woord ontstonden het Engelse soap, het Friese sjippe, het Duitse Seife en het Nederlandse zeep. Via het Latijn belandde het woord in het Italiaanse sapone, het Franse savon en Spaanse jabon.[1].

Zeep werd tot de Tweede Wereldoorlog veel als schoonmaakmiddel gebruikt, maar gedurende de tweede helft van de twintigste eeuw is zeep bijna geheel verdrongen door andere detergenten zoals natriumdodecylsulfaat (ook wel natriumlaurylsulfaat genoemd), SLS, SLES en nog vele andere reinigers.

Hydrofiel

De hydrofiele koppen (wit) van fosfolipiden kunnen bovenstaande structuren vormen in water.

De term hydrofiel verwijst naar een chemisch deeltje dat aangetrokken wordt door watermoleculen, en de neiging heeft om op te lossen in water.[1] Het woord ‘hydrofiel’ komt van het Griekse ὕδωρ (húdor), dat water betekent; φίλος (phílos), dat vriend betekent. Een hydrofoob molecuul daarentegen wordt er door afgestoten.

Een hydrofiel molecuul is vaak elektrisch gepolariseerd. Dat wil zeggen dat de elektrische lading binnen het molecuul niet evenredig is verdeeld. Het molecuul is in staat om waterstofbruggen te vormen met andere moleculen, zoals tussen OH-groepen en NH-groepen. Op moleculaire schaal wordt de negatief geladen kant van het polaire molecuul aangetrokken tot de positief geladen kant van het watermolecuul, en andersom.

Een hydrofiele stof lost makkelijk op in polaire vloeistoffen, zoals water of alcohol, en minder goed op in apolaire vloeistoffen, zoals olie. Een hydrofiele stof kan echter toch gemengd met olie worden door gebruik te maken van een emulgator.

In sommige gevallen komen zowel hydrofiele als hydrofobe eigenschappen voor in een enkel molecuul. Een voorbeeld van deze amfifiele moleculen is de fosfolipide die de membranen van cellen vormt. De hydrofobe staart ligt naar binnen toe en de hydrofiele kop ligt naar buiten aan de oppervlaktelaag. Een ander voorbeeld is zeep, dat een hydrofiele kop en een hydrofobe staart heeft, waardoor het oplost in zowel water als olie.

Lipofiel

Lipofiel betekent 'vetminnend' en is een eigenschap van sommige chemische stoffen.[1] Lipofiele stoffen lossen goed op in oliënvetten en apolaire oplosmiddellen zoals hexaan en tolueen.[2] Lipofiele stoffen hebben over het algemeen een neutrale elektrische ladingsverdeling over het molecuul. Stoffen waarbij delen van het molecuul ten opzichte van andere delen positief of negatief geladen zijn heten polair, en lossen meestal beter op in polaire oplosmiddelen, zoals water. Ze worden daarom wel hydrofiel genoemd, waterminnend.

Lipofiliteit, hydrofobiciteit en apolariteit zijn de termen vaak door elkaar worden gebruikt, onder meer doordat ze hetzelfde gedrag londonkrachten vertonen. De termen "lipofiel" en "hydrofoob" zijn echter geen synoniemen: is bijvoorbeeld te zien bij siliconen en fluorkoolwaterstoffen, die wel hydrofoob maar niet lipofiel zijn.

Veel alcoholen zitten qua eigenschappen tussen polaire en apolaire oplosmiddelen in.

Om de lipofiliteit van een chemische stof uit te drukken gebruikt men de octanol-water-partitiecoëfficiënt, ook wel de Log P genoemd.